|
door Frank Joosten op
donderdag 23 december 2010 16:47
|
|
Een lezer van bijzonderewetten.nl vroeg het volgende:
"Ik heb een bezwaarschrift ontvangen op een verleende Drank- en Horecavergunning voor een inrichting (café/restaurant met logies). Het betreft een bezwaar van een omwonende die met het verlenen van de Drank- en Horecavergunning zijn eigen bedrijfsuitbreiding in de problemen ziet komen. Het betreft een veehouderij die door de aanwezigheid van geurgevoelige objecten niet verder uit kan breiden. Zijn er zaken bekend waarbij omwonenden met succes bezwaar hebben gemaakt in een situatie als deze?" Bij het al dan niet verstrekken van en drank- en horecavergunning gaat het om de beoordeling van het volksgezondheidsmotief, niet om de mogelijke aantasting van het woon- en leefklimaat of vormen van concurrentie. Feitelijk wordt met het verlenen van een drank- en horecavergunning een formele toestemming door het gemeentebestuur gegeven om bedrijfsmatig alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik in een inrichting die voldoet aan de vereisten van de Drank- en Horecawet en het daarbij behorende Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Wie zijn belanghebbenden bij een verleende drank- en horecavergunning? Dat zijn de aanvrager, de drankwetinspecteur en de gemeente. De veehouder heeft geen bezwaar tegen het feit dat in het betreffende horecabedrijf alcohol wordt verstrekt, maar heeft bezwaar tegen de exploitatie van dat horecabedrijf. Dat is echter geen motief die de Drank- en Horecawet betreft, dit betreft een APV-motief (openbare orde en veiligheid, waaronder aantasting woon- en leefklimaat). Hij zal bezwaar moeten maken tegen de eventueel verleende exploitatievergunning, althans als de gemeente gebruik maakt van een exploitatiestelsel. Is dat niet het geval, dan heeft de veehouder weinig middelen om te ageren. Helaas. En zie hier mijn warme pleidooi om altijd te werken met een exploitatiestelsel!
|