|
De volgende vraag ontvingen we op
Dit e-mailadres is beveiligd tegen spambots, u heeft JavaScript nodig om het te kunnen bekijken
:
"In een winkelpand zit een winkel die Italiaanse levensmiddelen verkoopt, tevens verkoopt de winkel daarbij Italiaanse flessen wijn. Naar mijn idee mag dit. Indien het een winkel betreft waarin in overwegende mate levensmiddelen worden verkocht of een gevarieerd aanbod aan levensmiddelen wordt verkocht, is het verkopen van Italiaanse wijn toegestaan op grond van artikel 18, tweede lid onder a van de Drank- en horecawet. Wordt er in overwegende mate iets anders dan levensmiddelen verkocht of een beperkt en eenzijdig aantal levensmiddelen verkocht, dan geldt het verbod op verstrekking van zwakalcoholische drank voor gebruik elders. Het hangt dus af van hetgeen er in de winkel wordt verkocht. Na sluitingstijd van de winkel worden er kookworkshops gehouden. Daarbij wordt een glaasje wijn geserveerd. De winkel heeft geen Drank- en Horecavergunning en die ligt ook niet in het verschiet vanwege de winkelbestemming. Kan de winkel 12 keer per jaar gebruik maken van een ontheffing? Moet de winkel haar activiteiten m.b.t. de kookworkshops met alcohol geheel staken of zijn er nog andere mogelijkheden?" Mijn (nogal uitgebreide) antwoord luidt als volgt: Hoewel artikel 18, lid 1 DHW een verbod bevat, biedt het via het tweede lid eigenlijk een voor de praktijk zeer belangrijke mogelijkheid voor anderen dan slijters om zwak-alcoholhoudende drank te verkopen. Een groot deel van de verstrekking van zwak-alcoholhoudende drank vindt plaats via levensmiddelenbedrijven. Het tweede lid van artikel 18 beperkt de mogelijkheid van de verkoop aan particulieren van zwak-alcoholhoudende drank onder meer tot een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen of uitsluitend zwak-alcoholhoudende dranken al dan niet tezamen met alcoholvrije dranken worden verkocht. Onder deze omschrijving vallen volgens de memorie van toelichting de supermarkten, de poeliers, de delicatessenzaken, de slagers, de viswinkels en melk- en groentezaken. Verder behoren tot deze categorie de speciaalzaken in bier of wijn, al dan niet in combinatie met alcoholvrije drank. Ook de bedoelde Italiaanse levensmiddelenwinkel kan hieronder worden geschaard. Dan het vervolg van de vraag: Na sluitingstijd van de winkel worden er kookworkshops gehouden waarbij alcoholhoudende dranken worden verstrekt. De winkel heeft geen Drank- en Horecavergunning en die ligt ook niet in het verschiet vanwege de winkelbestemming. De vraag of al dan niet een drank- en horecavergunning kan worden verstrekt is echter niet afhankelijk van de vraag of er een winkelbestemming rust op de locatie. Als wordt voldaan aan de in de Drank- en Horecawet c.a. gestelde eisen, dan moet een vergunning worden verleend. De vraag of wordt voldaan aan genoemde eisen omdat in deze locatie detailhandelsactiviteiten plaatsvinden, nl. de verkoop van levensmiddelen. Dat betekent dat wordt gehandeld in strijd met artikel 14, lid 2 van de Drank- en Horecawet. Dit feit leidt dan vervolgens op grond van artikel 27, lid 1 onder d van de Drank- en Horecawet tot weigering van de drank- en horecavergunning. Vervolgvraag: Kun je dit dan oplossen met het verstrekken van een artikel 35-ontheffing? Ingevolge voornoemd artikel kan de burgemeester ontheffing verlenen van het verbod om zonder vergunning (zwak-)alcoholhoudende drank te verstrekken bij bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard. Hier gaat het dus om incidentele gevallen. Maar het artikellid concretiseert dit wel zodanig dat het daarbij gaat om een bijzondere gelegenheid voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen. Uit de geschiedenis van de onderhavige bepaling blijkt, dat bij "een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard" slechts is gedacht aan feesten, vermakelijkheden enz. en niet aan de hiervoor genoemde situaties. Het telkens weer opnieuw verstrekken van een artikel 35-ontheffing druist dan ook in tegen de geest van de Drank- en Horecawet en raad ik derhalve af. Zijn er dan andere mogelijkheden? De enige mogelijkheid is dat de kookstudio (en dat is feitelijk het restaurantgedeelte van de winkel) volledig moet worden afgescheiden van het winkelgedeelte waarbij wordt voldaan aan de eis van artikel 15, lid 1 Drank- en Horecawet. Dit horecagedeelte moet voldoen aan de betreffende inrichtingseisen zoals vermeld in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Wanneer ook wordt voldaan aan de andere eisen t.a.v. de leidinggevenden en er geen andere weigeringsgronden zijn (zie artikel 27), dan moet een drank- en horecavergunning worden verleend. Daarbij speelt dan wel de vraag of dit bestemmingsplantechnisch wel gewenst is. Die vraag zal feitelijk als eerste moeten worden beantwoord omdat anders (verplicht) een drank- en horecavergunning wordt verleend en daarbij wordt gesteld dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. Voor zover het gemeentebestuur wenst mee te werken aan deze constructie moet daarvoor een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Voorts moet overleg plaatsvinden met de Brandweer in het kader van de al eerder gedane melding voor de winkel o.g.v. het Gebruiksbesluit, met de afdeling Milieuzaken in het kader van de al gedane melding o.g.v. het Activiteitenbesluit. Mogelijk moet voor deze kookstudio (die nu een horecabedrijf is geworden) nog een exploitatievergunning worden aangevraagd. Als achter één voordeur vervolgens twee verschillende activiteiten plaatsvinden (horeca en winkel), is het lastig om te controleren of wordt voldaan aan de sluitingstijden (winkelgedeelte o.g.v. de Winkeltijdenwet en het horecagedeelte o.g.v. de APV). Wenst het gemeentebestuur niet mee te werken aan deze constructie, dan moet de bedrijfsmatige verstrekking van alcoholhoudende dranken geheel worden beëindigd. Wordt vervolgens toch een ruimte voor het publiek geopend gehouden, niet zijnde een horecabedrijf, dan mag in een dergelijke ruimte geen alcoholhoudende dranken aanwezig zijn (artikel 25, lid 1 onder a DHW), geen alcoholhoudende drank in voorraad zijn in de niet voor het publiek toegankelijke ruimten (artikel 25, lid 1 onder b DHW). Bovendien is het degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het horecabedrijf, een ruimte voor publiek geopend houdt, verboden toe te laten dat in die ruimte alcoholhoudende drank wordt genuttigd (artikel 25, lid 2 DHW). Hier is dan sprake van een strafbaar feit, strafbaar gesteld in artikel 1 onder 4° van de Wet op de economische delicten.
|