|
Het begint inmiddels een vast item te worden op bijzonderewetten.nl: vragen uit de praktijk. Vandaag beantwoord ik weer een ingezonden vraag:
"In een dorpshuis (in het bezit van een drank- en horecavergunning) met meerdere zalen huurt een stichting een zaaltje om hier een jongerensoos te houden. De VWA heeft enige tijd geleden een controle gehouden en stelt dat deze stichting een eigen drank- en horecavergunning nodig heeft. Ze genereren inkomsten uit de baropbrengst. Deze baropbrengst is nodig om de huur van de ruimte te kunnen betalen. Tot zover eigenlijk geen probleem. Als gemeente willen wij deze stichting eigenlijk geen drank- en horecavergunning verlenen. Ze pretenderen een jongerensoos te zijn met de doelgroep 12+ (tot 18). De stichting heeft een huisregelement waarin onder andere de beperkingen qua schenken zijn opgenomen. Feitelijk bezoeken gasten van 17 jaar en ouder deze soos waarbij volop bier etcetera wordt gedronken: eigenlijk een verkapte kroeg dus. De jeugd vanaf 12 jaar wil niet naar deze soos en de opening van de soos is ook pas vanaf 21.30 uur. We kunnen moeilijk gronden vinden een aanvraag voor de drank- en horecavergunning te weigeren. Hoe ziet u dit?" Wanneer de betreffende stichting op een gegeven moment een formele aanvraag indient bij het college ter verkrijging van een drank- en horecavergunning, is het enige dat van belang is, dat wordt voldaan aan de vereisten van de Drank- en Horecawet. Dat betekent dat moet worden voldaan aan de eisen van artikel 8, de eisen in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet en er geen andere redenen zijn om de vergunning te weigeren (zie artikel 28, lid 1 DHW). Mogelijk speelt hier ook nog de toepassing van de Wet Bibob. Daarbij merk ik nog op dat eerst wel duidelijk moet zijn of hier sprake is van paracommercie of niet. In het laatste geval speelt de discussie rondom oneerlijke mededinging nog mee en moet bovendien een bestuursreglement (art. 9) worden overgelegd. Ik krijg de indruk dat deze stichting feitelijk slechts een horecalokaliteit exploiteert voor het organiseren van feesten. Dat lijkt toch een commerciële activiteit. Voorts moet worden nagegaan of het dorpshuis zich wel houdt aan de eigen voorschriften in de drank- en horecavergunning (geen bijeenkomsten voor persoonlijke aard organiseren). Mogelijk staat dit verder buiten deze discussie omdat het om twee afzonderlijke situaties gaat. Echter, mogelijk staat er nog iets vermeld over het al dan niet mogen verhuren in een subsidiebeschikking of iets dergelijks (huurcontract?). Het mag niet zo zijn dat het dorpshuis zelf gaat verhuren aan deze stichting voor dergelijke bijeenkomsten van persoonlijke aard en dit feest feitelijk "draait" op de drank- en horecavergunning van het dorpshuis. Wanneer duidelijk is dat deze stichting commercieel exploiteert en er wordt voldaan aan de genoemde vereisten van de Drank- en Horecawet, dan moet de vergunning worden verleend. Mogelijk is dat dan wel in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Daarom is vooroverleg met de afdeling ruimtelijke ordening wel belangrijk. Een goede communicatie met de stichting is erg belangrijk. Het moet niet gebeuren dat de drank- en horacavergunning moet worden verleend terwijl na gebruikmaking van deze vergunning door dezelfde gemeente handhavend wordt opgetreden wegens handelen in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Mogelijk heeft dit ook consequenties voor de melding in het kader van het Activiteitenbesluit en het Gebruiksbesluit. Wordt geen drank- en horacavergunning aangevraagd, dan mag in die ruimte (er van uitgaande dat niet wordt geëxploiteerd door het dorpshuis in dat betreffende lokaal) in die ruimte geen alcohol aanwezig / op voorraad zijn en mag in die ruimte geen alcohol worden genuttigd. Gebeurt dat wel, dan wordt het bepaalde in artikel 25, lid 1 en 2 Drank- en Horecawet overtreden. Dat is een economisch delict (zie artikel 1, onder 4° Wet op de economische delicten).
|